ECLI:NL:RVS:2023:2921

Raad van State

Datum uitspraak
1 augustus 2023
Publicatiedatum
1 augustus 2023
Zaaknummer
202300298/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering bedreiging samenleving

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 16 september 2022 een besluit uit waarin de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 december 2022 het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering van de bedreiging die de vreemdeling zou vormen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat de staatssecretaris onvoldoende heeft aangetoond dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het besluit was voornamelijk gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling voor witwassen, zonder voldoende aandacht voor het persoonlijke gedrag van de vreemdeling.

De Afdeling verwees naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie en eerdere uitspraken van de Raad van State ter onderbouwing van haar oordeel. Het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die beantwoording vereisten in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Afdeling bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het besluit tot inreisverbod wordt vernietigd.

Uitspraak

202300298/1/V3.
Datum uitspraak: 1 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2022 in zaak nr. NL22.18903 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 21 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De staatssecretaris heeft het besluit ten onrechte vooral gebaseerd op de strafrechtelijke veroordeling voor witwassen en is daarbij onvoldoende ingegaan op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling. De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, punt 50, en naar de Afdelingsuitspraak van 22 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2378.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2023
962