ECLI:NL:RVS:2023:301
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen sluiting dossier vervolginitiatief bouwplan Baarle-Nassau
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin het bezwaar van appellante tegen het besluit van de gemeenteraad van Baarle-Nassau niet-ontvankelijk werd verklaard. Het dossier betrof een bouwplan op perceel [locatie A] waarvoor in 2007 een bouwvergunning was aangevraagd en verschillende besluiten waren genomen.
In 2019 besloot de gemeenteraad dat het college het maximale had gedaan om uitvoering te geven aan een motie uit 2016 en sloot het dossier voor het vervolginitiatief. Appellante stelde dat dit besluit rechtsgevolgen had, omdat eerdere toezeggingen vervielen, en dat het besluit daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit geen rechtsgevolgen had en dus geen besluit in de zin van de Awb was.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat het besluit van de raad een feitelijke handeling betreft, namelijk een mededeling aan het college dat het geen uitvoering meer hoeft te geven aan de motie. Het sluiten van het dossier en het niet langer hoeven leveren van een maximale inspanning zijn feitelijke handelingen zonder rechtsgevolg. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de gemeenteraad wordt niet als een besluit in de zin van de Awb aangemerkt.