ECLI:NL:RVS:2023:3074
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen toekenning uitkering letselcategorie 3 na stelselmatig huiselijk geweld
Appellante was tussen 2011 en 2016 slachtoffer van stelselmatig huiselijk geweld en ontving van de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) een uitkering van € 5.000 op basis van letselcategorie 3 voor haar psychisch letsel. Zij stelde dat zij recht had op een hogere uitkering op basis van letselcategorie 4, omdat haar psychisch letsel zou leiden tot langdurige afhankelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de CSG een beleid hanteert waarbij voor toekenning van letselcategorie 4 bij psychisch letsel door stelselmatig huiselijk geweld medische informatie vereist is waaruit blijkt dat behandeldoelen niet binnen een jaar zijn behaald of dat sprake is van herhaalde behandelingen over meerdere jaren, inclusief intensieve zorgvormen. Daarnaast moet er sprake zijn van langdurige afhankelijkheid in de zin van hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen, wat niet alleen het langdurig ontvangen van medische zorg omvat.
De rechtbank vond dit beleid niet onredelijk en concludeerde dat uit de medische stukken, waaronder een brief van de GGZ-behandelaar, niet blijkt dat appellante langdurig afhankelijk is van derden voor haar dagelijkse levensverrichtingen. De Raad van State onderschreef deze beoordeling en oordeelde dat de CSG dit beleid mag voeren en dat de gronden van appellante in hoger beroep onvoldoende nieuw of anders zijn om het oordeel te wijzigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering op basis van letselcategorie 3 blijft gehandhaafd.