ECLI:NL:RVS:2023:3155
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 februari 2021 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 18 januari 2022. De rechtbank Den Haag verklaarde op 1 augustus 2023 het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit van 18 januari 2022, herroept het oorspronkelijke besluit van 19 februari 2021 en beval de staatssecretaris binnen twee weken de mvv te verlenen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat het verlenen van een mvv een onomkeerbare situatie kan creëren en dat het belang van de staatssecretaris om dit te voorkomen zwaarwegend is.
Gezien het feit dat de noodzakelijke stukken voor het hoger beroep nog niet waren ontvangen en de termijn voor hoger beroep nog liep, besloot de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening te treffen. Hierdoor hoeft de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek heeft beslist. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de rechtbankuitspraak niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.