AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, en legde een dwangsom op aan de staatssecretaris.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb tegen de uitspraak van de rechtbank in een zaak over niet tijdig genomen besluiten geen hoger beroep openstaat.
De Raad van State constateerde dat het verbod op hoger beroep alleen kan worden doorbroken indien sprake is van een oneerlijk proces, wat hier niet het geval was. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en stuurde het hogerberoepschrift door naar de rechtbank Den Haag als verzetschrift voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en verwijst het door als verzetschrift naar de rechtbank.
Uitspraak
202207422/1/V3.
Datum uitspraak: 25 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 december 2022 in zaak nr. NL22.16582 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 27 december 2022 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen om binnen 16 weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken, en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat toepassing is gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Tegen die uitspraak kan daarom geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb). Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen daartegen wel verzet doen bij de bestuursrechter, in dit geval de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (artikel 8:55, eerste lid, van de Awb).
2. Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De Afdeling zal het hogerberoepschrift van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank doorsturen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, voor verdere behandeling als verzetschrift (artikel 6:15 vanPro de Awb).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.