AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten in hoger beroep vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 9 december 2022 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onterecht heeft gepasseerd dat de ophouding van de vreemdeling op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onjuist was vastgesteld. De rechtbank had de staatssecretaris daarom moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van het beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het deel van het vonnis waarin de rechtbank de staatssecretaris niet tot kostenvergoeding veroordeelde en bevestigde het overige. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep, ter hoogte van € 2.511,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van beroep en hoger beroep ter hoogte van € 2.511,00.
Uitspraak
202207464/1/V3.
Datum uitspraak: 26 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 december 2022 in zaak nr. NL22.25499 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De vreemdeling is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat die grondslag onjuist is, maar zij heeft dit gebrek gepasseerd op grond van artikel 6:22 vanPro de Awb. De vreemdeling klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank niettemin een gebrek heeft geconstateerd in zijn ophouding en de staatssecretaris daarom had moeten veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:906).
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de staatssecretaris daarin niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van het beroep van de vreemdeling. De staatssecretaris moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 december 2022 in zaak nr. NL22.25499, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Melse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023
191-959
Deze uitspraak is op 27 januari 2023 in het digitaal dossier aan partijen ter beschikking gesteld.