ECLI:NL:RVS:2023:3264

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2023
Publicatiedatum
28 augustus 2023
Zaaknummer
202205938/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De vreemdelingen, bestaande uit een vader, moeder en hun zoon, hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 maart 2019 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde en terugverwees, is de zaak in hoger beroep bij de Raad van State gekomen.

De vreemdelingen verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij voor het academisch jaar 2023-2024 behandeld zouden worden alsof zij in het bezit waren van de gevraagde verblijfsvergunning, inclusief het verstrekken van een geldig legitimatiebewijs. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de staatssecretaris onrechtmatig heeft gehandeld door de verblijfsvergunningen te weigeren. Gezien dit voorlopige oordeel werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers in aanwezigheid van griffier J.W. Prins op 28 augustus 2023.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning onterecht heeft geweigerd.

Uitspraak

202205938/2/V2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het incidenteel hoger beroep van:
[de vreemdelingen],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 september 2022 in zaak nr. 22/940 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 januari 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdelingen, vader, moeder en hun zoon, hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de staatssecretaris wordt opgedragen hen voor het academisch jaar 2023-2024 te behandelen als waren zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier en hen in dat verband ook te voorzien van een geldig legitimatiebewijs.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de staatssecretaris de vreemdelingen de gevraagde verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd uiteindelijk niet had mogen weigeren. Reeds daarom treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2023
363-979