ECLI:NL:RVS:2023:3264
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdelingen, bestaande uit een vader, moeder en hun zoon, hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 maart 2019 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde en terugverwees, is de zaak in hoger beroep bij de Raad van State gekomen.
De vreemdelingen verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij voor het academisch jaar 2023-2024 behandeld zouden worden alsof zij in het bezit waren van de gevraagde verblijfsvergunning, inclusief het verstrekken van een geldig legitimatiebewijs. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de staatssecretaris onrechtmatig heeft gehandeld door de verblijfsvergunningen te weigeren. Gezien dit voorlopige oordeel werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers in aanwezigheid van griffier J.W. Prins op 28 augustus 2023.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning onterecht heeft geweigerd.