ECLI:NL:RVS:2023:3291
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete voor niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht en hoogte daarvan
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €1.250,00 op wegens het niet tijdig voldoen aan haar inburgeringsplicht, die liep van 10 juni 2014 tot uiterlijk 5 september 2019 na verlenging vanwege medische redenen. Appellante ging in beroep tegen de hoogte van de boete nadat de rechtbank haar beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep erkenden partijen dat de boete terecht was opgelegd, maar was het geschil over de hoogte. Appellante stelde dat de lagere boete uit de Wet inburgering 2021 van toepassing zou moeten zijn. De Raad oordeelde dat de oude Wet inburgering van toepassing bleef, maar dat de wetswijziging wel invloed had op de passende hoogte van de boete, die daarom werd vastgesteld op €1.000,00.
Daarnaast wees de Raad het beroep af dat de minister ook andere omstandigheden dan het aantal gevolgde lesuren in aanmerking had moeten nemen bij de boetebepaling. De Raad vernietigde het eerdere besluit en uitspraak, stelde de boete vast op €1.000,00 en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete voor het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt vastgesteld op €1.000,00 in plaats van €1.250,00.