Uitspraak
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
appellant,
voorzitter
griffier
Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 30 maart 2020 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht meer had als gemeenschapsonderdaan en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit verwijderingsbesluit, dat bij besluit van 10 december 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit niet-ontvankelijk voor zover het de vertrektermijn betrof.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de vreemdeling wel degelijk belang had bij de beoordeling van de vertrektermijn, mede vanwege de proceskostenvergoeding die hij vorderde. De Afdeling vernietigde het besluit van 10 december 2021 en het verwijderingsbesluit voor zover daarin een vertrektermijn van 28 dagen werd gesteld.
Vervolgens stelde de Afdeling zelf de vertrektermijn vast op een maand en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zij het zonder griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het eerdere besluit aangepast.
Uitkomst: De vertrektermijn van de vreemdeling wordt vastgesteld op een maand en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.