ECLI:NL:RVS:2023:3335

Raad van State

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
31 augustus 2023
Zaaknummer
202302135/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling verlenging vertrektermijn vreemdeling na vernietiging verwijderingsbesluit

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 30 maart 2020 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht meer had als gemeenschapsonderdaan en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit verwijderingsbesluit, dat bij besluit van 10 december 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit niet-ontvankelijk voor zover het de vertrektermijn betrof.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat de vreemdeling wel degelijk belang had bij de beoordeling van de vertrektermijn, mede vanwege de proceskostenvergoeding die hij vorderde. De Afdeling vernietigde het besluit van 10 december 2021 en het verwijderingsbesluit voor zover daarin een vertrektermijn van 28 dagen werd gesteld.

Vervolgens stelde de Afdeling zelf de vertrektermijn vast op een maand en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zij het zonder griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het eerdere besluit aangepast.

Uitkomst: De vertrektermijn van de vreemdeling wordt vastgesteld op een maand en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202302135/1/V3.
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 maart 2023 in zaak nr. NL22.261 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2020 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Ook heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten (hierna: het verwijderingsbesluit).
Bij besluit van 10 december 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gaat over het verwijderingsbesluit en voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G.P. de Boon, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief in de eerste plaats terecht dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij geen belang heeft bij een beoordeling van de aan hem gegeven vertrektermijn. De vreemdeling heeft in bezwaar verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten en aan die kosten ontleent hij belang bij de beoordeling van de juistheid van de gegeven vertrektermijn (vergelijk de uitspraak van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:928, onder 1). De grief slaagt.
2. De door de vreemdeling in zijn enige grief in de tweede plaats opgeworpen rechtsvraag over de termijn waarbinnen hij Nederland moet verlaten, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 5 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3556, onder 2.2. Uit die uitspraak volgt dat de grief ook daarom slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het beroep gericht tegen het verwijderingsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond en het besluit van 10 december 2021 wordt vernietigd, voor zover de staatssecretaris daarin heeft bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken moet verlaten. De Afdeling voorziet krachtens artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak door het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2020 alsnog gegrond te verklaren wat betreft de onjuiste vertrektermijn, dat besluit te herroepen voor zover de staatssecretaris een vertrektermijn van 28 dagen heeft gehanteerd, in plaats daarvan een vertrektermijn van een maand te bepalen, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
4. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in beroep en hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 maart 2023 in zaak nr. NL22.261, voor zover het beroep gericht tegen het verwijderingsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard;
III. verklaart het beroep in zoverre gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 10 december 2021, V-[…], voor zover de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarin heeft bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken moet verlaten;
V. herroept het besluit van 30 maart 2020, V-[…], voor zover de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarin heeft bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen 28 dagen moet verlaten;
VI. stelt in plaats daarvan de vertrektermijn voor de vreemdeling vast op een maand;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.108,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023
345-985