ECLI:NL:RVS:2023:3526
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verlenging verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar alsnog gegrond en verlengde de verblijfsvergunning met een aangepaste geldigheidsduur.
De vreemdeling handhaafde zijn hoger beroep omdat hij het niet eens was met de gewijzigde geldigheidsduur van de vergunning. Echter, de staatssecretaris verleende later een nieuwe verblijfsvergunning met een langere geldigheidsduur die het eerdere verblijfsgat opheft en dezelfde werkgever betreft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vreemdeling hierdoor geen belang meer had bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Omdat het bezwaar inmiddels geheel was gehonoreerd en de vreemdeling geen belang meer had, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van belang na latere vergunningverlening.