ECLI:NL:RVS:2023:3529
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring vreemdeling en kostenvergoeding
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring, dat op 20 januari 2021 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure die eveneens ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit tot afwijzing van het verzoek, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, waarbij hij onder meer vergoeding van de door hem gemaakte kosten tijdens de bezwaarprocedure vorderde. De staatssecretaris voerde aan dat de vreemdeling geen belang meer had bij het hoger beroep omdat de ongewenstverklaring inmiddels was opgeheven naar aanleiding van een ander verzoek.
De Raad van State oordeelde echter dat de vreemdeling nog wel degelijk belang heeft bij het hoger beroep vanwege de kostenvergoeding. Desondanks leidde het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.