ECLI:NL:RVS:2023:3585
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Eritrese echtpaar
Een Eritrees echtpaar, geboren in 1944 en 1952, heeft in 2017 Eritrea verlaten met een uitreisvisum en is Nederland binnengekomen met een Schengenvisum. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen van het echtpaar ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De kern van het geschil is of de Eritrese immigratieautoriteiten het echtpaar bij vrijwillige terugkeer als illegale uitreizigers zullen beschouwen, omdat zij niet meer over hun paspoorten beschikken. Het echtpaar stelt dat zij daardoor problemen zullen ondervinden bij terugkeer. De staatssecretaris verwees naar ambtsberichten en een database van Eritrese autoriteiten waaruit blijkt dat het echtpaar legaal is uitgereisd en bood aan bewijs te leveren via het Schengenvisumregistratiesysteem.
De Raad van State oordeelt dat het echtpaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten zullen krijgen. Daarbij is meegewogen dat zij ten tijde van vertrek niet meer dienstplichtig waren en dat het vertrek met visum een indicatie is van legale uitreis. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen en verklaart het hoger beroep ongegrond.