ECLI:NL:RVS:2023:3636
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning
De vreemdeling heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 24 juni 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 16 december 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat was ingediend.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling toetste of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Gezien het feit dat de vreemdeling eerst een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend in plaats van een beroepschrift en het beroepschrift pas op 6 december 2022 werd ingediend, concludeerde de Afdeling dat het beroep inderdaad te laat was ingediend.
Hoewel de vreemdeling moeite had met het spreken van Nederlands en het ontbreken van een advocaat, had zij informatie kunnen inwinnen bij de rechtbank of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Omdat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard, kon de Afdeling de inhoudelijke klachten over het besluit niet behandelen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.