ECLI:NL:RVS:2023:3746

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2023
Publicatiedatum
11 oktober 2023
Zaaknummer
202304581/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 72, derde lid, Vw 2000ECLI:EU:C:2023:272
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan België

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 21 april 2023 bepaald dat de vreemdeling wordt overgedragen aan België. De vreemdeling maakte hiertegen bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep op 12 juli 2023 ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

Op 5 oktober 2023 heeft de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de feitelijke overdracht te voorkomen totdat het hoger beroep is afgerond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek behandeld.

Gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 maart 2023 en de complexiteit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België, acht de voorzieningenrechter nader onderzoek noodzakelijk dat niet in deze procedure kan worden verricht. Daarom is de voorlopige voorziening getroffen dat de overdracht wordt opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.

Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.

Uitkomst: De overdracht van de vreemdeling aan België wordt opgeschort totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202304581/2/V3.
Datum uitspraak: 9 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2023 in zaak nr. NL23.12275 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris bepaald dat de vreemdeling wordt overgedragen aan België.
Bij uitspraak van 12 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft op 5 oktober 2023 krachtens artikel 72, derde lid,
van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen haar feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       In het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 30 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:272, en de zaken die de Afdeling op 17 oktober 2023 op zitting zal behandelen, nrs. 202304212/1/V3, 202305005/1/V3, 202304662/1/V3 en 202304307/1/V3, over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België, vergt het hoger beroep nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt overgedragen, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2023
644-967