202205719/1/V3.
Datum uitspraak: 18 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 september 2022 in zaak nr. NL22.16490 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 5 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat het beroep van de vreemdeling samenhangt met zijn beroep in de bewaringszaak. Daarvoor is alleen vereist dat de bestuursrechter de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt, de rechtsbijstand wordt verleend door dezelfde persoon of hetzelfde samenwerkingsverband en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht). In dit geval is de rechtsbijstand door dezelfde persoon verleend, heeft de rechtbank de beroepen samen op zitting behandeld, is in beide zaken op dezelfde dag uitspraak gedaan en berusten de zaken op hetzelfde feitencomplex. Omdat de rechtbank al proceskostenvergoeding heeft toegekend in haar uitspraak in de bewaringszaak, heeft zij dat dus in deze procedure terecht niet gedaan.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023
873-1020