ECLI:NL:RVS:2023:3857
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning scootmobielberging ondanks bezwaar over hoorplicht en bestaande bergingen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 9 maart 2020 een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een scootmobielberging nabij het appartementencomplex Willem Dreespark te Den Haag. Appellant, wonend op circa 70 meter afstand, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege de reeds aanwezige, maar ongebruikte scootmobielbergingen in de omgeving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de vergunning terecht had verleend en dat de hoorplicht niet was geschonden, aangezien appellant was uitgenodigd voor een hoorzitting maar niet was verschenen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij door toegangweigering tot het gemeentehuis niet kon deelnemen aan de hoorzitting, maar de Raad van State oordeelde dat appellant tijdig was uitgenodigd en niet had aangegeven onder welke voorwaarden hij alsnog zou verschijnen.
Daarnaast betoogde appellant dat het college de vergunning had moeten weigeren vanwege misbruik van eerdere vergunningen voor bergingen die niet werden verwijderd. De Raad van State bevestigde dat het college alleen kan weigeren op basis van de limitatief genoemde weigeringsgronden in artikel 2.10 Wabo, en dat het niet naleven van eerdere vergunningen een handhavingskwestie is en geen reden tot weigering van de nieuwe vergunning.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij het college geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning wordt bevestigd.