ECLI:NL:RVS:2023:4031
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke invordering dwangsom wegens overtreding asbestverwijderingsregels bevestigd
Appellant heeft in de nazomer van 2019 een woning verbouwd waarbij asbesthoudende materialen werden verwijderd zonder dat dit door een gecertificeerd bedrijf werd uitgevoerd. Het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen legde hem daarom op 6 september 2019 een last onder dwangsom op. Appellant heeft deze last niet bestreden, waardoor deze in rechte onaantastbaar werd.
Na constatering dat de overtreding niet was beëindigd, verbeurde appellant een dwangsom van €15.000, die het college op 26 februari 2020 invorderde. Appellant betwistte de invordering en stelde dat hij als particulier het asbest mocht verwijderen en dat de invordering onevenredig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling overweegt dat gronden tegen de last onder dwangsom in de invorderingsfase slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen worden aangevoerd, en dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook is de invordering niet onevenredig, aangezien de hoogte van de dwangsom in een eerdere procedure had moeten worden bestreden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de invordering van de dwangsom van €15.000 wegens overtreding van de asbestverwijderingsregels.