ECLI:NL:RVS:2023:4135
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant, sinds 2019 gescheiden en woonachtig bij zijn broer sinds 2021, verzocht om een urgentieverklaring vanwege medische problemen en de wens zijn dochter thuis te ontvangen. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk wees dit verzoek af, stellende dat appellant geen urgent huisvestingsprobleem heeft en dat hij zonder adequate woonruimte bij zijn broer woont.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en concludeert dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat zijn woonsituatie door zijn medische klachten zodanig is dat hij niet zelfstandig kan functioneren.
Voorts oordeelt de Afdeling dat het college terecht het algemeen belang bij een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder heeft gewogen dan het belang van appellant om zijn gezinsleven op de gewenste wijze vorm te geven. Artikel 8 EVRM Pro biedt geen recht op woonruimte en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van zelfstandige woonruimte de relatie met zijn dochter schaadt.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd omdat appellant geen urgent huisvestingsprobleem heeft.