ECLI:NL:RVS:2023:4315

Raad van State

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
202300694/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 4:7 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende onderbouwing en alternatieve oplossingen

Appellante woont met haar twee kinderen op de tweede etage van een portiekwoning en vroeg een urgentieverklaring aan omdat zij door fysieke klachten niet kan traplopen en door een psychisch probleem geen gebruik kan maken van een lift. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag op 13 augustus 2021 af en handhaafde deze afwijzing op 14 maart 2022. Het college motiveerde dat appellante haar huisvestingsprobleem op andere wijze kan oplossen, bijvoorbeeld door behandeling van haar psychische klachten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten op 20 december 2022 ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat geen van de partijen gebruik wilde maken van het recht op mondelinge behandeling.

De Afdeling overwoog dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de afwijzing onjuist is. Het college wees terecht op het feit dat appellante woningen heeft geweigerd en niet voldoende reageerde op passende woningen. Ook voldeed zij niet aan de criteria voor een urgentieverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, omdat geen sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende situatie. De hardheidsclausule was niet van toepassing.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.

Uitspraak

202300694/1/A2.
Datum uitspraak: 22 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2022 in zaak nr. 22/2640 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellante] woont met haar twee kinderen op de tweede etage van een portiekwoning. Ze heeft een aanvraag om een urgentieverklaring gedaan omdat zij vanwege fysieke klachten niet kan traplopen en door een psychisch probleem geen gebruik kan maken van een lift.
2.       Het college heeft bij het besluit van 14 maart 2022 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 4:5, aanhef en onder c, d, k en m, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Volgens het college kan [appellante] haar huisvestingsprobleem op een andere manier oplossen, bijvoorbeeld door het behandelen van haar psychische probleem waardoor zij geen gebruik kan maken van een lift. Ook heeft [appellante] aangeboden woningen geweigerd en heeft zij niet ten minste twee keer per week gereageerd op passende woningen. Verder verwacht het college dat [appellante], gelet op haar inschrijfduur van negen jaar, in staat is binnen drie maanden een woning te huren. Ook voldoet [appellante] volgens het college niet aan de voorwaarden uit artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, omdat geen sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende situatie. Het college heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6, 6.1, 7, 7.1 en 8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023
154-1081