19.1.Zoals hiervoor onder het algemeen deel is overwogen, is voor het vaststellen van de oppervlakte van het gesaneerd dierenverblijf de oppervlakte volgens de tekening behorend bij milieutoestemming bepalend. Weliswaar geldt, gelet op artikel 3.2.3., onder i, sub 3, van de planregels, ook als voorwaarde dat het dierenverblijf feitelijk aanwezig moet zijn, maar alleen voor zover dat dierenverblijf ook legaal is opgericht. Het college en gedeputeerde staten hebben niet weersproken dat de oppervlakte van de stallen volgens de milieutekeningen afgerond 1.604 m2 is in plaats van 1.728 m2. Berekend over een staloppervlakte van 1.604 m2 resteert, als gevolg van de stoppersregeling, een bruto oppervlakte van (86,6% x 1.604 =) 1.389 m2 voor staldering. Dat betekent dat voor deze stallen een bruto oppervlakte van (1.496-1.389=) 107 m2 en een netto oppervlakte van (83,3% x 107 = afgerond) 89 m2 teveel en daarmee ten onrechte aan het stalderingsbesluit en de daarop gebaseerde vergunning ten grondslag is gelegd. Het betoog slaagt.
Conclusie over de ingebrachte stalderingsmeters
20. Groen Kempenland en anderen hebben terecht gesteld dat een aantal van de in de stalderingsbesluiten betrokken hokdierenverblijven niet voldoet aan de voorwaarden in de planregels. Het betreft de stalderingsgevers [locatie 3] Bergeijk (netto 18 m2) [locatie 4] Hulsel (netto 168 m2), [locatie 5] Eersel (netto 58,39 m2), [locatie 6] Riethoven (netto 210,75 m2) en [locatie 7] Hooge Mierde (netto 89 m2). In totaal is dus netto 544,14 m2 ten onrechte gestaldeerd. Dat betekent dat voor staldering niet 8.753 m2 kon worden ingezet, zoals in het stalderingsbesluit staat, maar 8.208,86 m2. Aangezien voor dit project tenminste 8.614 m2 aan stalderingsmeters nodig is, voldoet de omgevingsvergunning bouwen voor de pluimveestallen en loods niet aan de stalderingseis in de planregels en is deze daarom ten onrechte verleend. Het betoog slaagt.
21. Gelet op wat Groen Kempenland en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 6 oktober 2020, voor zover daarbij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend ten behoeve van het oprichten van een pluimveehouderij, het bouwen van 4 pluimveestallen en een loods, in strijd is met artikel 3.2.3, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Omdat de overige bestreden besluiten onlosmakelijk verbonden zijn met de omgevingsvergunning voor de pluimveehouderij moeten ook deze besluiten worden vernietigd.
In stand laten rechtsgevolgen
22. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.
Bij besluit van 29 september 2021 heeft het college aan de omgevingsvergunning van 6 oktober 2020 het aanvullend stalderingsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 2 juli 2021 ten grondslag gelegd. Met deze aanvullende motivering zijn aan de omgevingsvergunning bouwen extra aangekochte stalderingsmeters ten grondslag gelegd. Het betreft 1.809 m2 aangekochte stalderingsmeters die afkomstig zijn van de gesloopte stallen op de saneringslocatie [locatie 8] te Hussel. Dat betekent dat het aantal netto inzetbare m2 voor de uitbreiding toeneemt met (83,3% x 1.809 m2 =) 1.506 m2. Opgeteld bij de, volgens rechtsoverweging 20 resterende, 8.206,86 m2 uit het stalderingsbesluit van 30 juni 2020 is daarmee 9.713,86 m2 inzetbaar voor staldering. Benodigd voor de uitbreiding is 8.614m2. Daarmee is alsnog voldaan aan de stalderingseis in artikel 3.2.3, aanhef en onder i, van de planregels.