ECLI:NL:RVS:2023:4431
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak
De vreemdeling heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van proceskosten die in hoger beroep zijn gemaakt. De staatssecretaris had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar heeft dit hoger beroep later ingetrokken.
De staatssecretaris had het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de inhoudelijke behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris was het niet eens met een overweging van de rechtbank en stelde hoger beroep in, maar trok dit vervolgens in omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken.
De staatssecretaris had de vreemdeling een vergoeding van € 837 toegezegd voor de proceskosten, maar de Afdeling oordeelde dat er geen aanleiding was om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling in hoger beroep had gemaakt. Dit omdat de vreemdeling zelf geen incidenteel hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waardoor de ongegrondverklaring van zijn beroep in rechte vaststaat.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek van de vreemdeling afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.