ECLI:NL:RVS:2023:4431

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
29 november 2023
Zaaknummer
202001438/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:118 AwbArt. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak

De vreemdeling heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van proceskosten die in hoger beroep zijn gemaakt. De staatssecretaris had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar heeft dit hoger beroep later ingetrokken.

De staatssecretaris had het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de inhoudelijke behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris was het niet eens met een overweging van de rechtbank en stelde hoger beroep in, maar trok dit vervolgens in omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken.

De staatssecretaris had de vreemdeling een vergoeding van € 837 toegezegd voor de proceskosten, maar de Afdeling oordeelde dat er geen aanleiding was om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling in hoger beroep had gemaakt. Dit omdat de vreemdeling zelf geen incidenteel hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waardoor de ongegrondverklaring van zijn beroep in rechte vaststaat.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek van de vreemdeling afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek van de vreemdeling om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

202001438/1/V1.
Datum uitspraak: 29 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep.
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 februari 2020 in zaak nr. NL19.28327.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Balkenende, advocaat te Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken.
De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem in beroep opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan, bij afzonderlijke uitspraak en met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb, op verzoek van een partij in de proceskosten worden veroordeeld, als het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken.
2.       Bij besluit van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat Italië volgens hem verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen dat besluit ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak, omdat hij het niet eens is met een overweging van de rechtbank. De staatssecretaris heeft het hoger beroep vervolgens bij brief van 9 juni 2023 ingetrokken, omdat de overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In een brief aan de vreemdeling van diezelfde datum heeft de staatssecretaris ook vermeld dat hij hem een vergoeding van € 837,00 voor de proceskosten in hoger beroep zal toekennen, omdat hij hem dat - abusievelijk - heeft toegezegd.
Anders dan de vreemdeling betoogt, bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door de vreemdeling in beroep gemaakte proceskosten. De vreemdeling heeft immers tegen de uitspraak van de rechtbank geen - incidenteel - hoger beroep ingesteld, zodat de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 21 november 2019 in rechte vast staat.
3.       De Afdeling wijst het verzoek af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2023
488-988