AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning geluidniveaus bedrijf Maashees
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende op 6 juli 2020 een omgevingsvergunning aan een bedrijf in Maashees voor het tijdelijk verruimen van geluidniveaus. Dit besluit werd door de rechtbank vernietigd. Vervolgens verleende het college op 5 september 2023 een nieuwe omgevingsvergunning met nadere motivering en aangepaste geluidvoorschriften, waaronder ruimere geluidgrenswaarden tot 1 januari 2026.
Verzoeker en anderen stelden dat de overkapping, als beste beschikbare techniek, al op grond van een eerdere vergunning uit 2012 gerealiseerd had moeten zijn en verzochten om schorsing van het nieuwe besluit. Het college stelde dat de overkapping niet verplicht was en dat het bedrijf voldoet aan de geldende geluidnormen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vraag of de overkapping verplicht is en als beste techniek geldt, in de bodemprocedure aan de orde komt. De voorlopige belangenafweging wees uit dat de hogere geluidgrenswaarden slechts voor enkele woningen gelden en dat verzoekers geen voldoende belang hadden bij schorsing. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor verruiming van geluidniveaus wordt afgewezen.
Uitspraak
202100260/2/R4.
Datum uitspraak: 13 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb), hangende de (incidenteel) hoger beroepen van onder meer:
[verzoeker], wonend te Maashees, gemeente Boxmeer, en anderen (hierna: [verzoeker] en anderen),
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 2 december 2020 in zaak nr. 20/2161 in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 heeft het college aan [bedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op het perceel [locatie A] in Maashees (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 juli 2020 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker] en anderen incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college aan [bedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor bouwen, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wabo op het perceel.
[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 november 2023, waar [persoon], behorend tot [verzoeker] en anderen, bijgestaan door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.H. Verstappen, mr. P.P.G. Wintjes, ing. J.J. Kuik en ir. J.R. Brouwer, zijn verschenen. Ook is [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.
Overwegingen
Voorlopig oordeel
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. Bij het besluit van 6 juli 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk verruimen van de geluidniveaus. Nadat dit besluit door de rechtbank was vernietigd, heeft het college bij besluit van 5 september 2023 opnieuw een omgevingsvergunning verleend aan [bedrijf]. Deze omgevingsvergunning is onder meer voorzien van een nadere motivering zoals verlangd door de rechtbank en nieuwe geluidvoorschriften. In vergunningvoorschrift 2.2.1 staan ruimere geluidgrenswaarden die gelden tot 1 januari 2026 en in vergunningvoorschrift 2.3.1 staan de geluidgrenswaarden die gelden vanaf 1 januari 2026. De geluidgrenswaarden uit vergunningvoorschrift 2.3.1 zijn op sommige beoordelingspunten lager, omdat [bedrijf] op grond van vergunningvoorschrift 2.4.3 voor 1 januari 2026 een overkapping moet realiseren.
2.1. [verzoeker] en anderen zijn het er niet mee eens dat de ruimere geluidgrenswaarden gelden tot 1 januari 2026. Volgens hen had de overkapping al op grond van de omgevingsvergunning van 17 april 2012 moeten worden gerealiseerd en is dit ten onrechte nog steeds niet gebeurd.
Zij stellen dat de overkapping één van de beste beschikbare technieken voor de inrichting van [bedrijf] is. [verzoeker] en anderen vragen daarom om schorsing van het besluit van 5 september 2023. Bij schorsing van dit besluit zal [bedrijf] moeten voldoen aan de geluidgrenswaarden uit de omgevingsvergunningen van onderscheidenlijk 17 april 2012 en 3 september 2015. Het besluit van 3 september 2015 betreft een veranderingsvergunning voor de uitbreiding van de bedrijfsuren in de nachtperiode. Hierbij heeft het college voor de nachtperiode andere geluidgrenswaarden vastgesteld dan op grond van de omgevingsvergunning van 17 april 2012 golden.
2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de overkapping in 2012 was vergund, maar niet was voorgeschreven als geluidreducerende maatregel. Volgens het college was [bedrijf] in zoverre vrij om de overkapping al dan niet op te richten. Het college stelt dat de inrichting van [bedrijf] het enige bedrijf op een gezoneerd industrieterrein is en dat [bedrijf] ruim voldoet aan de vastgestelde zonegrenswaarde van 50 dB(A) en de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde MTG-waarden (Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting) voor de in de zone gelegen woningen. Het college stelt dat hij beoordelingsruimte heeft voor het verbinden van de geluidsvoorschriften aan de omgevingsvergunning en dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Belangenafweging
3. De vragen of de overkapping - zoals verzoekers stellen - al op grond van de omgevingsvergunning van 17 april 2012 had moeten worden opgericht waardoor met de oprichting niet kan worden gewacht tot 1 januari 2026 en of die overkapping als een van de beste beschikbare technieken kan worden aangemerkt, kunnen aan de orde komen in de bodemprocedure. In deze voorlopige voorzieningprocedure zal de voorzieningenrechter aan de hand van een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op die beoordeling in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
4. [verzoeker] en anderen wonen onderscheidenlijk aan de [locatie B tot en met C], de [locatie D] en de [locatie E] in Maashees. Bij schorsing van het besluit van 5 september 2023 zal [bedrijf] moeten voldoen aan de geluidgrenswaarden die gelden op grond van de omgevingsvergunningen van 17 april 2012 en 3 september 2015. Een vergelijking van die geluidgrenswaarden met de geluidgrenswaarden die op grond van het besluit van 5 september 2023 gelden tot 1 januari 2026 laat zien dat de hogere geluidgrenswaarden uit het laatstgenoemde besluit gelden voor de woningen aan Kalverstraat 3 tot en met 9. Die woningen liggen ten noorden van de inrichting. Ook de woning van de verzoeker aan [locatie E] ligt ten noorden van de inrichting, op een grotere afstand van [bedrijf] dan de woning aan Kalverstraat 9. Omdat voor de woning aan [locatie E] zelf geen geluidgrenswaarden zijn vastgesteld, geldt voor deze woning een afgeleide bescherming van de voor de woning aan Kalverstraat 9 vastgestelde grenswaarden. Nu de geluidgrenswaarden ter plaatse van laatstgenoemde woning met het besluit van 5 september 2023 worden verhoogd, is niet uitgesloten dat de verzoeker aan [locatie E] er qua geluidbelasting met dit besluit ook iets op achteruit gaat. Dat acht de voorzieningenrechter echter geen voldoende belang om over te gaan tot schorsing van het besluit van 5 september 2023. Een vergelijking tussen de geluidgrenswaarden verbonden aan de verschillende omgevingsvergunningen laat verder zien dat voor de woningen van de andere verzoekers, die ten zuidwesten van de inrichting liggen, geen hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Deze verzoekers zullen er met het besluit van 5 september 2023 zelfs op verschillende punten met 1 tot 4 dB(A) op vooruit gaan. Van een belang van deze verzoekers bij schorsing van het besluit van 5 september 2023 is dan ook niet gebleken. Verder is ten aanzien van de coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., behorende tot [verzoeker] en anderen, niet geconcretiseerd waarom zij belang heeft bij de schorsing van het besluit van 5 september 2023.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.
Slotoverwegingen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.