ECLI:NL:RVS:2023:4623
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing urgentieverklaring wegens onzorgvuldige belangenafweging
Appellant vroeg op 6 januari 2021 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en vanwege zijn psychische aandoeningen. Hij heeft feitelijke zorg over zijn minderjarige zoon, die niet bij zijn moeder kan wonen vanwege een ernstig verstoorde relatie. Het college wees de aanvraag af op grond van algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en oordeelde dat er geen urgent huisvestingsprobleem was.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, stellende dat het feit dat de zoon liever bij appellant woont, geen reden voor urgentie is omdat de moeder het ouderlijk gezag heeft. In hoger beroep stelde appellant dat de situatie feitelijk anders is, met een verslag van een gedragswetenschapper dat de noodzaak van verblijf bij appellant ondersteunt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de zoon voltijds bij appellant moet wonen en dat het college de belangen van de zoon onvoldoende heeft meegewogen, ook met betrekking tot de hardheidsclausule. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en wordt het vernietigd. Het college moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen, waarbij de belangen van appellant en zijn zoon zorgvuldig worden meegewogen.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen waarbij de belangen van appellant en zijn zoon worden meegewogen.