ECLI:NL:RVS:2023:4647
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omgevingsvergunning woningsplitsing wegens strijd met goede ruimtelijke ordening
Appellant, eigenaar van een perceel in Eindhoven, vroeg op 22 juli 2019 een omgevingsvergunning aan voor het splitsen van een maisonnette in twee appartementen. Het college van burgemeester en wethouders weigerde deze vergunning op 26 november 2019 omdat de splitsing in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het college terecht de leefbaarheidstoets had toegepast en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
In hoger beroep betoogt appellant dat het college onterecht een te groot gebied bij de leefbaarheidstoets heeft betrokken en dat woonverdichting passend is in de historische radiaal waar het pand ligt. Tevens wijst appellant op verleende vergunningen in de buurt die eveneens tot woonverdichting leiden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college redelijkerwijs de directe omgeving mocht betrekken bij de leefbaarheidstoets en dat de enkele ligging in een historische radiaal niet automatisch woonverdichting rechtvaardigt.
De Afdeling stelt echter vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsplitsing op het perceel van appellant wel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, terwijl vergelijkbare vergunningen in de buurt wel zijn verleend. Hierdoor is het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college worden vernietigd, en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard; het college moet een nieuw besluit nemen en proceskosten vergoeden.