Uitspraak
Datum uitspraak: 8 februari 2023
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank die de nareismaatregel bij gezinshereniging van vreemdelingen onrechtmatig verklaarde. De nareismaatregel houdt in dat vreemdelingen na inwilliging van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) pas na zes maanden, of eerder bij geschikte huisvesting van de referent, hun mvv-sticker kunnen afhalen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze maatregel geen wettelijke basis heeft in de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000 en in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn van de Europese Unie. De regeling beperkt onrechtmatig het recht op gezinshereniging doordat zij een opschortende voorwaarde oplegt die niet door de wet wordt toegestaan.
De staatssecretaris voerde aan dat de maatregel gerechtvaardigd is vanwege de problematische situatie in de asielopvang en ter voorkoming van schendingen van het EVRM en het EU-Handvest. Dit verweer wordt verworpen omdat de situatie in de opvang niet de hoge drempel van onmenselijke behandeling bereikt en de nareismaatregel niet noodzakelijk, geschikt of evenredig is.
De Afdeling bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. De nareismaatregel mag niet worden toegepast en vreemdelingen moeten direct na inwilliging van hun aanvraag hun mvv-sticker kunnen afhalen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de nareismaatregel bevestigd als onrechtmatig.