ECLI:NL:RVS:2023:581
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.J.M. Baldinger
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring met in stand laten rechtsgevolgen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 12 december 2019 het Nederlanderschap van de vreemdeling ingetrokken en hem ongewenst verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep heeft de Raad van State geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de vreemdeling nog in leven is, ondanks een brief van het College van procureurs-generaal die een vermoeden van overlijden gaf.
De Raad van State heeft de besluiten vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat de staatssecretaris niet heeft nagevraagd of het ambtsbericht van de AIVD nog actueel was. De staatssecretaris heeft vervolgens een nadere motivering gegeven met een brief van de AIVD waarin wordt gesteld dat niet kan worden bevestigd of de vreemdeling leeft of overleden is.
De Raad van State oordeelt dat met deze nadere motivering het gebrek is hersteld en laat daarom de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap en ongewenstverklaring worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.