ECLI:NL:RVS:2023:716

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
202200528/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3 WaboVoorschrift 1.1.2 omgevingsvergunningVoorschrift 9.1.2 omgevingsvergunning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke invordering van verbeurde dwangsommen na handhavingsbesluit milieu

Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe legde op 22 januari 2019 een last onder dwangsom op aan de appellant, een maatschap, wegens overtreding van milieuregels omtrent opslag van co-vergistingsmateriaal en digestaat. Na geconstateerde overtredingen en het niet voldoen aan de last, besloot het college op 5 juni 2020 tot invordering van €18.000 aan verbeurde dwangsommen.

De appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het invorderingsbesluit, stellende dat sprake was van minnelijk overleg en dat het college het vertrouwen had gewekt dat geen dwangsommen zouden worden geïnd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, hetgeen de appellant in hoger beroep aanvocht.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college geen toezeggingen heeft gedaan die het vertrouwen rechtvaardigen dat geen dwangsommen zouden worden geïnd. De gesprekken tussen partijen leidden niet tot overeenstemming en het college handhaafde het besluit conform vergunningvoorschriften. Ook het betoog dat het college niet meer bevoegd zou zijn om dwangsommen te innen wegens een nieuwe aanvraag werd verworpen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van €18.000 aan verbeurde dwangsommen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202200528/1/R4.
Datum uitspraak: 22 februari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[maatschap], gevestigd te Witteveen, gemeente Midden-Drenthe,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 15 december 2021 in zaak nr. 21/1134 in het geding tussen:
[maatschap]
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2020 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van € 18.000,00 aan verbeurde dwangsommen bij [maatschap].
Bij besluit van 9 februari 2021 heeft het college het door
[maatschap] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 december 2021 heeft de rechtbank het door
[maatschap] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [maatschap] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 30 januari 2023, waar het college, vertegenwoordigd door M. Kluiter en R. Struik, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 22 januari 2019 is aan [maatschap] een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft haar daarbij gelast de overtredingen van artikel 2.3, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in samenhang met de voorschriften 1.1.2 en 9.1.2 van de omgevingsvergunning, onderdeel milieu, van 20 september 2017 over het opslaan van co-vergistingsmateriaal, vaste mest en gedroogd digestaat op het buitenterrein te beëindigen en beëindigd te houden.
Op 4 maart 2019 is bezwaar gemaakt tegen het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom. Bij besluit van 20 augustus 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard en is de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot 6 weken na verzending van het besluit. Hiertegen is beroep ingesteld en er is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van 11 december 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland het beroep ongegrond verklaard en is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.
Op 16 oktober 2019, 30 oktober 2019 en 6 december 2019 is, tijdens hercontroles door de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe, geconstateerd dat niet aan de opgelegde last is voldaan. Op 9 januari 2020 heeft het college het voornemen om € 18.000,00 aan verbeurde dwangsommen in te vorderen, bekend gemaakt. Op 16 mei 2020 is per e-mail door [maatschap] gereageerd op een aanmaning die zij heeft ontvangen. Deze reactie is door het college aangemerkt als een zienswijze tegen het voornemen om de verbeurde dwangsommen te innen. Het college is hierna bij besluit van 5 juni 2020 overgegaan tot invordering.
[maatschap] is het niet eens met dit besluit.
Gronden van het hoger beroep
2.       [maatschap] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er sprake was van minnelijk overleg, waarbij het college het vertrouwen heeft gewekt dat de last onder dwangsom zou worden ingetrokken en dat geen dwangsommen zouden worden ingevorderd.
2.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
2.2.    Vast staat dat tussen [maatschap] en het college gesprekken hebben plaatsgevonden. Zo heeft op 6 november 2019 een gesprek plaatsgevonden, waarbij is geprobeerd afspraken te maken, maar partijen zijn uiteindelijk niet tot een akkoord gekomen. Verder blijkt uit een bij de rechtbank ingediend stuk van het college van 2 december 2019 dat het terughoudend is om verdergaande afwijkende afspraken te maken, omdat dit kan leiden tot niet wenselijke gedoogsituaties terwijl het conform vergunning in werking zijn de norm zou moeten zijn. Uit verschillende mails van na die datum van 25 maart 2020 en 17 april 2020, blijkt verder dat het college de opgelegde last onder dwangsom als onherroepelijk beschouwt en dat het voornemens is de handhavingsprocedures door te zetten als partijen er niet met elkaar uitkomen. Ter zitting van de Afdeling heeft het college bevestigd dat nimmer is toegezegd dat geen dwangsommen zouden worden ingevorderd.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit het procesdossier niet blijkt dat het college de verwachting heeft gewekt dat niet tot invordering zou worden overgegaan.
Het betoog slaagt niet.
3.       [maatschap] heeft voor het overige verwezen naar de gronden die zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.
3.1.    De gronden die [maatschap] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [maatschap] heeft geen redenen aangevoerd waarom de beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
4.       In de enkele niet nader gemotiveerde stelling van [maatschap] dat het college niet meer bevoegd zou zijn om handhavend op te treden ziet de Afdeling evenmin grond voor een ander oordeel. Dat [maatschap] een nieuwe aanvraag voor een uitbreiding van het bedrijf heeft ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Drenthe brengt immers nog niet met zich dat het college in dit geval niet meer bevoegd zou zijn de verbeurde dwangsommen in te vorderen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Slot en conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023
700-1030
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid en onder e, Wabo luidt:
"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
e.       1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
f. […]"
Artikel 2.3:
"Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:
a. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;
b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i;
c. activiteiten als bedoeld in artikel 2.2."
Voorschriften 1.1.2 en 9.1.2 van de omgevingsvergunning, m.b.t. art. 2.1 lid 1 onder e Wabo (milieu)
1.1.2
"De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunning behorende gegevens en tekeningen."
9.1.2
"Behoudens tijdens op- en overslaghandelingen, dienen de aangevoerde vaste co-producten overdekt te worden opgeslagen."