ECLI:NL:RVS:2023:763
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
Bij besluit van 21 april 2017 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluiten van 17 maart 2022 en 8 september 2022 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en beval de staatssecretaris binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank leidt, omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevat die beantwoord moeten worden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De rechtbank had een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek vastgesteld dat eenvoudig te herstellen is.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Tevens werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 24 februari 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.