ECLI:NL:RVS:2023:808
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen locatieaanduiding ondergrondse afvalcontainers nabij wooncomplex
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 5 februari 2021 een locatie aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer en een papiercontainer nabij het wooncomplex van appellant. Na ontdekking van ondergrondse kabels en leidingen die plaatsing onmogelijk maakten, werd dit besluit ingetrokken en op 17 februari 2022 een alternatieve locatie aangewezen, dichter bij het wooncomplex.
Appellant maakte bezwaar tegen deze locatie vanwege mogelijke geluid-, geur- en zwerfvuiloverlast en stelde dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel handelde door af te wijken van eerdere communicatie. Tevens voerde hij aan dat een alternatieve locatie aan de Rotterdamse Rijweg geschikter zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college beleidsruimte heeft bij de locatiekeuze en dat de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn. De afstand van circa 8 meter tot het balkon van appellant voldoet aan de minimale afstandseisen, en geluidsoverlast wordt beperkt door dempende kleppen. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden omdat het college op grond van gewijzigde feiten mocht terugkomen op het eerdere besluit. De voorgestelde alternatieve locatie werd als minder geschikt beoordeeld vanwege de langere afstand en oversteek voor bewoners.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de locatieaanduiding van de ondergrondse afvalcontainers wordt ongegrond verklaard.