ECLI:NL:RVS:2023:809
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik ondanks verstrijken recidiefvrije periode
Appellant was betrokken bij een aanrijding waarbij een ademanalyse een alcoholgehalte van 2,3 ‰ aantoonde. Het CBR verklaarde zijn rijbewijs ongeldig wegens alcoholmisbruik, ondanks dat appellant stelde dat de recidiefvrije periode van een jaar was verstreken op het moment van het besluit.
De rechtbank oordeelde dat de datum van het psychiatrisch onderzoek bepalend is voor het verstrijken van de recidiefvrije periode, en dat appellant pas na een herkeuring weer rijgeschikt kan worden verklaard. Appellant stelde dat het CBR het bezwaar ex nunc had moeten toetsen en dat hij na de schorsing van het rijbewijs weer rijgeschikt was, maar dit werd verworpen.
De Afdeling overwoog dat het CBR terecht het rijbewijs ongeldig verklaarde omdat op het moment van het besluit niet vaststond dat appellant een jaar was gestopt met alcoholmisbruik. De recidiefvrije periode moet bij herkeuring worden vastgesteld. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs bevestigd.