Uitspraak
Datum uitspraak: 1 maart 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
De burgemeester van Gouda sloot bij besluit van 7 juni 2019 de woning van appellant voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden hennep en XTC-pillen, alsmede wapens, aangetroffen in de slaapkamer van haar minderjarige zoon. De burgemeester baseerde dit op artikel 13b van de Opiumwet, dat sluiting toestaat indien drugs worden verkocht, afgeleverd of daartoe aanwezig zijn met de bestemming verkoop.
De rechtbank bevestigde de bevoegdheid van de burgemeester en oordeelde dat sluiting noodzakelijk was, ondanks het ontbreken van feitelijke drugshandel, overlast of loop naar de woning. Appellant voerde aan dat zij niet wist van de drugs en dat de sluiting niet evenwichtig was gezien haar kwetsbare positie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel de burgemeester bevoegd was tot sluiting, de maatregel in dit geval onevenredig was. De aanwezigheid van drugs overschreed weliswaar de gebruikershoeveelheid, maar er was geen bewijs van handel of overlast. Bovendien woonden appellant en haar minderjarige zoon in de woning, was er negatief advies van Jeugdbescherming en Sociaal Team, en had appellant ernstige nadelige gevolgen ondervonden, waaronder plaatsing op een zwarte lijst bij woningcorporaties.
De Afdeling vernietigde het besluit van 7 juni 2019 en de rechtsgevolgen van het latere besluit van 16 december 2019, en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten. Het incidenteel hoger beroep van de burgemeester werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Besluit tot sluiting van woning vernietigd wegens onevenredigheid en onvoldoende onderbouwing van drugshandel.