Conclusie
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 23 november 2022 een vreemdeling in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 13 februari 2023 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De vreemdeling heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tegen het voortduren van de bewaring geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces.
De vreemdeling heeft geen gronden aangevoerd die aantonen dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring van de vreemdeling.