ECLI:NL:RVS:2024:1022
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinverordening
De vreemdeling diende op 25 september 2018 een asielaanvraag in, die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublinverordening, waarbij Roemenië verantwoordelijk was. Nederland werd echter alsnog verantwoordelijk omdat de overdracht aan Roemenië niet tijdig plaatsvond. De staatssecretaris verleende uiteindelijk op 24 maart 2021 een verblijfsvergunning met als ingangsdatum de datum van een tweede aanvraag in september 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen, waaronder de ingangsdatum van de vergunning. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris niet van de vreemdeling mocht eisen een nieuwe aanvraag in te dienen nadat Nederland verantwoordelijk werd, en dat de ingangsdatum van de vergunning moest worden vastgesteld op de datum van de oorspronkelijke aanvraag, 25 september 2018. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de rechtsgevolgen handhaafde. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 25 september 2018 en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.