ECLI:NL:RVS:2024:1053
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot rectificatie adresgegevens in Basisregistratie Personen
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om rectificatie van zijn adresgegevens in de Basisregistratie Personen (brp) voor de periode van 4 september 1998 tot 9 maart 1999, waarin stond dat geen adres bekend was. Hij stelde dat hij gedurende die periode woonde op een adres in Dordrecht en overhandigde ter onderbouwing een verklaring van de verhuurder uit 2000.
Het college wees het verzoek af vanwege de verstreken bewaartermijn volgens de Regeling brp en het ontbreken van voldoende bewijs om de onjuistheid van de gegevens aan te tonen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de verhuurdersverklaring geen brondocument is en onvoldoende objectief te verifiëren valt. Ook het beroep op bewijsnood slaagde niet omdat appellant niet aannemelijk maakte dat andere bewijsstukken onmogelijk te verkrijgen waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de verklaring had miskend en bewijsnood niet had erkend. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat voor wijziging van brp-gegevens niet langer onomstotelijk bewijs vereist is, maar dat buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de nieuwe gegevens juist zijn. De Afdeling vond dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gegevens onjuist zijn en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Afdeling benadrukte dat het tijdsverloop en de verstreken bewaartermijn het leveren van bewijs bemoeilijken, maar dat dit niet voor rekening van het college komt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.