ECLI:NL:RVS:2024:1235
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- C.J. Borman
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Eritrea
De vreemdeling, een Eritrese vrouw geboren in 1965, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Haar aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Eritrea. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat zij vanwege eerdere mishandeling door de autoriteiten, de desertie van haar echtgenoot en de overschrijding van haar uitreisvisum wel degelijk risico liep. Zij verwees daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2022, waarin onder meer sprake is van mogelijke mishandeling en tien dagen durende ondervragingen bij terugkeer.
De Afdeling overwoog dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij nog steeds in negatieve aandacht staat van de autoriteiten. De overschrijding van de uitreistermijn leidt niet automatisch tot risico’s, en de desertie van haar echtgenoot is niet relevant omdat de autoriteiten aannemen dat hij zich in het buitenland bevindt. Ook de tien dagen durende ondervragingen vormen geen voldoende grond voor een reëel risico, omdat de vreemdeling legaal kon uitreizen, geen politieke activiteiten verrichtte en geen nadelige factoren op haar van toepassing zijn.
De combinatie van omstandigheden leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De vreemdeling kan een nieuwe aanvraag indienen indien zij meent dat de situatie in Eritrea is verslechterd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.