Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van haar herkansing van een integrale opdracht binnen de bacheloropleiding Social Work aan de Hogeschool van Amsterdam. Na het instellen van administratief beroep en het bereiken van een schikking, trok zij het beroep in, behoudens het verzoek om proceskostenvergoeding. Het college van beroep voor de examens besloot niet tijdig op dit verzoek, waarna appellante het college in gebreke stelde en beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is en heeft de verbeurde dwangsom van € 392,00 vastgesteld. De Afdeling vernietigde het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om proceskostenvergoeding. Het beroep tegen de inhoudelijke afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding door het college werd ongegrond verklaard, aangezien appellante het administratief beroep tegen de oorspronkelijke beoordeling had ingetrokken.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 437,50, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van het griffierecht van € 50,00. De Afdeling wees het verzoek van appellante om een dwangsom toe wegens het te laat beslissen door het college, dat dit ook erkende. De procedure werd behandeld in een enkelvoudige kamer, waarbij de gemachtigde van appellante als waarnemer optrad.