ECLI:NL:RVS:2024:1292
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens overtreding uitstalvergunning in Heumen
Appellant exploiteert een winkel in Overasselt en heeft een vergunning voor uitstallingen op het trottoir. Het college van burgemeester en wethouders stelde vast dat appellant karren met buitenplanten en potgrond deels op de openbare weg plaatste, in strijd met artikel 2:10 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Heumen 2019. Het college legde een last onder dwangsom op en vorderde € 5.000,00 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij voerde aan dat er mondelinge afspraken waren die afwijking toestonden, dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de dwangsom buitenproportioneel was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vergunning onverkort gold tijdens de relevante periode en dat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat er afwijkende afspraken waren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan bewijs van gelijke gevallen.
Ook het proportionaliteitsbeginsel bood geen grond tot matiging van de dwangsom. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsommen wordt bevestigd.