ECLI:NL:RVS:2024:1368

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
3 april 2024
Zaaknummer
202402012/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling op grond van tijdelijke beschermingsrichtlijn

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 23 augustus 2023 het recht op bescherming van de vreemdeling op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming beëindigd, met ingang van 4 september 2023. Dit besluit is op 31 januari 2024 ingetrokken, maar bij besluit van 21 februari 2024 is de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen na 4 maart 2024 te verlaten.

De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en ongegrond. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 april 2024 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet en wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing blijft, totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00.

Uitkomst: De vreemdeling wordt voorlopig niet uitgezet en behoudt het recht op tijdelijke bescherming totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202402012/2/V3.
Datum uitspraak: 2 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2024 in zaken nrs. NL23.26803 en NL24.9588 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2023 heeft de staatssecretaris bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat de vreemdeling geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. De staatssecretaris heeft dit besluit op 31 januari 2024 ingetrokken.
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen na 4 maart 2024 te verlaten.
Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 23 augustus 2023 en ongegrond verklaard voor zover dat beroep mede betrekking had op het besluit van 21 februari 2024. De rechtbank heeft het door de vreemdeling tegen het besluit van 21 februari 2024 ook nog afzonderlijk ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet en dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 en (EU) 2023/2409 van 19 oktober 2023, op hem van toepassing blijft.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:1366).
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2024
962