ECLI:NL:RVS:2024:1418
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 april 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 18 juli 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die op 23 december 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Tevens werd verwezen naar eerdere jurisprudentie over de toepassing van het Unierecht in relatie tot nationale verblijfsregels.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 4 april 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.