ECLI:NL:RVS:2024:1425

Raad van State

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
202207080/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel en afwijzing verlengingsaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 24 januari 2022 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken. Vervolgens werd op 21 juni 2022 een aanvraag tot verlenging van deze vergunning niet in behandeling genomen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk en het beroep tegen het niet in behandeling nemen ongegrond.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat toezending van het besluit naar het laatst bekende adres een geschikte wijze van bekendmaking is conform artikel 3:41, tweede lid, Awb. Het hoger beroep bevatte geen vragen die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moesten worden.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beslissing werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 5 april 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202207080/1/V3.
Datum uitspraak: 5 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 december 2022 in zaak nr. NL22.13895 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2022 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 6 december 2022 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 januari 2022 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 21 juni 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Wat betreft het besluit van 24 januari 2022 heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toezending van het besluit naar het laatst bekende adres van de vreemdeling een andere geschikte wijze van bekendmaking is in de zin van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024
18-1073