ECLI:NL:RVS:2024:1514

Raad van State

Datum uitspraak
10 april 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
202204956/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:48 AwbArt. 4:50 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking subsidie dorpshuis met jeugdruimte wegens veranderde omstandigheden en onbeschikbaarheid locatie

De Stichting Doarpshûs MynSkip verzocht om subsidie voor de bouw van een dorpshuis met jeugdruimte aan een locatie in Feanwâlden, gemeente Dantumadiel, waarbij de gemeenteraad eerder subsidies had toegezegd in 2017 en 2019. Het college wees de aanvraag in 2020 af wegens gebrek aan financiële middelen, waarna de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de gemeenteraad bevoegd was en dat de subsidie was verleend.

De gemeenteraad trok vervolgens in november 2019 de subsidieverlening in, met als reden veranderde omstandigheden en onbeschikbaarheid van de grond. De Stichting stelde dat de intrekking onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was. De gemeenteraad handhaafde het besluit in juli 2022, waarna de Stichting beroep instelde.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de subsidie uitsluitend gold voor de realisatie op de specifieke locatie en onder de voorwaarde van een sluitende investerings- en exploitatiebegroting. Omdat de grond niet meer beschikbaar was en geen sluitende begroting was overlegd, oordeelde de Afdeling dat de intrekking op grond van de Awb terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de raad hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van de Stichting tegen de intrekking van de subsidie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202204956/1/A2.
Datum uitspraak: 10 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Doarpshûs MynSkip (hierna: de Stichting), gevestigd te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel,
appellante,
en
de raad van de gemeente Dantumadiel (hierna ook: de gemeenteraad),
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 20 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1151) heeft de Afdeling het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel (hierna: het college) gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juni 2021 in zaak nr. 20/2976 vernietigd, voor zover de rechtbank in die uitspraak het besluit van 7 januari 2020 heeft herroepen en het e-mailbericht van 9 april 2019 ter verdere behandeling heeft doorgestuurd aan de gemeenteraad. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat tegen het door de gemeenteraad nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de gemeenteraad, gevolg gevend aan deze uitspraak, het door de Stichting tegen het besluit van 5 november 2019, bekendgemaakt op 7 januari 2020, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de Stichting beroep ingesteld.
De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2023, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bestuursleden, bijgestaan door mr. S.W. Knoop, en de raad, vertegenwoordigd door R. Heeringa, bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding en voorgeschiedenis
2.       Deze zaak gaat over subsidie voor de bouw van een dorpshuis met een jeugdruimte aan [locatie] in Feanwâlden. Dit is een dorp in de gemeente Dantumadiel. De gemeenteraad heeft in de raadsvergaderingen van 22 april 2014, 28 november 2017 en 26 maart 2019 daarover besluiten genomen.
3.         De Stichting heeft het college bij e-mailbericht van 9 april 2019 met als onderwerp ‘Aanvraag subsidie beschikking’ verzocht om de in de eerdere raadsvergaderingen toegezegde subsidie beschikbaar te stellen. Daarbij is vermeld dat het de subsidie betreft voor de jeugdkelder van € 83.000,00, vastgesteld op 26 maart 2019, en voor de realisatie van een dorpshuis van € 990.000,00, vastgesteld op 28 november 2017. Omdat de gemeenteraad evenwel alleen middelen beschikbaar zou hebben gesteld voor de realisatie van een dorpshuis met jeugdruimte en daarvoor dus nog geen subsidie zou hebben verleend, heeft het college dat e-mailbericht aangemerkt als een aanvraag om subsidie en deze bij besluit van 7 januari 2020, gehandhaafd bij besluit van 16 november 2020, afgewezen. De reden hiervoor, zo licht het college toe, is dat de gemeente niet langer beschikt over de financiële middelen om de gevraagde subsidie te verlenen.
4.       In de uitspraak van 20 april 2022 (hierna: de eerste uitspraak) komt de Afdeling evenals de rechtbank evenwel tot het oordeel dat de gemeenteraad wel degelijk bij de besluiten van 28 november 2017 en 26 maart 2019 aan de Stichting een subsidie heeft verleend (van in totaal € 1.073.000,00) voor de realisatie van het dorpshuis met jeugdruimte. De e-mail van 9 april 2019 moet, zo oordeelt de Afdeling verder in die uitspraak, worden aangemerkt als een aanvraag om verlening van een subsidievoorschot, als bedoeld in artikel 4:95, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de gemeenteraad, en niet het college, bevoegd is daarop te beslissen.
5.       Door de rechtbank is evenwel niet onderkend, zo stelt de Afdeling voorts in die uitspraak vast, dat de gemeenteraad in de raadsvergadering van 5 november 2019 zowel de aanvraag van 9 april 2019 om verlening van een subsidievoorschot heeft afgewezen als de besluiten tot subsidieverlening van 28 november 2017 en 26 maart 2019 heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de Afdeling moet het besluit van 7 januari 2020 aangemerkt worden als de bekendmaking hiervan. Daarnaast moet de inhoud van dat besluit, alsook van het besluit (op bezwaar) van 16 november 2020, toegerekend worden aan de gemeenteraad. Voor zover de gemeenteraad heeft beoogd zich (daarin) op het standpunt te stellen dat de subsidieverlening terecht is ingetrokken wegens veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, is de Afdeling van oordeel dat dit door de gemeenteraad niet deugdelijk is gemotiveerd.
6.       Het voorgaande leidt de Afdeling in die uitspraak tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van de Stichting tegen het besluit op bezwaar terecht gegrond heeft verklaard en dat besluit terecht heeft vernietigd. De rechtbank heeft het besluit van 7 januari 2020 evenwel ten onrechte herroepen en de e-mail van 9 april 2019 ten onrechte ter verdere behandeling doorgestuurd aan de gemeenteraad. De uitspraak van de rechtbank, waartegen het college dus met succes in hoger beroep is gegaan, moet in zoverre vernietigd worden en tegen het door de gemeenteraad nieuw te nemen besluit op bezwaar, zo bepaalt de Afdeling verder in die uitspraak, kan alleen bij haar beroep worden ingesteld. Dat beroep is nu aan de orde.
Het nieuwe besluit op bezwaar
7.       Bij het besluit van 4 juli 2022 heeft de gemeenteraad het bezwaar van de Stichting, gericht tegen het besluit van 5 november 2019, ongegrond verklaard en de intrekking van de subsidieverlening, op grond van artikel 4:50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, onder een aanvullende motivering, gehandhaafd.
8.       Volgens de gemeenteraad is sprake van veranderde omstandigheden, althans gewijzigde inzichten, die zich in overwegende mate verzetten tegen voortzetting van de aan de Stichting ter beschikking gestelde subsidie. Daarvoor geeft de gemeenteraad twee redenen. Ten eerste laat de financiële situatie van de gemeente het niet toe om alsnog de gevraagde subsidie te verlenen. Hoewel de financiële situatie van de gemeente, ook als gevolg van het Herstelplan 2020-2023, sinds 2019 is verbeterd, kampt de gemeente nog altijd met een structureel begrotingstekort dat, zo licht de gemeenteraad toe, alleen met een stevige bezuinigingsopgave kan resulteren in een sluitende meerjarenbegroting. Ten tweede stelt de gemeenteraad zich op het standpunt dat de bouw van een dorpshuis met een jeugdruimte aan [locatie] in Feanwâlden, waarvoor de subsidie is verleend, gezien ook de brief van de Stichting van 11 mei 2022, niet langer haalbaar en uitvoerbaar is. De daartoe benodigde grond is niet meer beschikbaar. Evenmin is sprake van een sluitende investerings- en exploitatiebegroting, aldus de gemeenteraad.
Beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar
9.       De Stichting betoogt dat de gemeenteraad de subsidieverlening ten onrechte op grond van artikel 4:50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb heeft ingetrokken. Daartoe stelt de Stichting voorop dat de gemeenteraad in aanloop naar het besluit van 4 juli 2022 onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat de gemeenteraad haar inbreng nadrukkelijker had moeten meenemen. Voorts vindt de Stichting dat de gemeenteraad niet, althans onvoldoende, is ingegaan op de veranderde omstandigheden, althans de gewijzigde inzichten, waarover de voormelde bepaling spreekt. Ook is op geen enkele wijze duidelijk geworden of een gewijzigde voortzetting mogelijk zou zijn.
Beoordeling van het beroep
9.1.    De Afdeling stelt vast dat de subsidie uitsluitend is aangevraagd en verleend voor de realisatie van een dorpshuis met jeugdruimte op de locatie [locatie] in Feanwâlden. Bij de verlening heeft de gemeenteraad zich bovendien op het standpunt gesteld dat de subsidie beschikbaar wordt gesteld onder de voorwaarde van een sluitende investerings- en exploitatiebegroting.
In het besluit van 4 juli 2022 heeft de gemeenteraad onder meer gesteld dat de bouw van een dorpshuis met een jeugdruimte aan [locatie] in Feanwâlden, gezien ook de brief van de Stichting van 11 mei 2022, niet langer haalbaar en uitvoerbaar is, omdat de daartoe benodigde grond niet meer beschikbaar is. Bovendien is geen sluitende investerings- en exploitatiebegroting overgelegd.
Ter zitting heeft de Stichting bevestigd dat de oorspronkelijke locatie aan [locatie] in Feanwâlden niet meer beschikbaar is. De Stichting heeft toegelicht dat zij alternatieve locaties voor het realiseren van een dorpshuis in kaart heeft gebracht. Hiertoe heeft de Stichting een zogenoemd Vlekkenplan opgesteld.
Omdat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend - het realiseren van een dorpshuis met jeugdruimte op de locatie [locatie] in Feanwâlden - niet meer zullen plaatsvinden en door inmiddels veranderde omstandigheden ook niet meer kunnen plaatsvinden, is de Afdeling van oordeel dat de gemeenteraad, gelet op artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en artikel 4:50, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, het besluit tot subsidieverlening mocht intrekken. De overige beroepsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
10.     Het beroep is ongegrond.
11.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2024
705/854
BIJLAGE - Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:48
1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:
a.       de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
[…]
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
Artikel 4:50
1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen:
[…]
b.       voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of
[…]