ECLI:NL:RVS:2024:1622
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslagen en betalingsregeling ondanks betwisting appellant
Appellant had in 2018 te veel huur- en zorgtoeslag ontvangen, waarvoor de Belastingdienst bij besluiten in 2020 terugvorderingen oplegde. De kern van het geschil betrof de juistheid van de vastgestelde betalingscapaciteit en de toekenning van een standaardbetalingsregeling.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst de hoorplicht had geschonden, maar dit gebrek niet tot nadeel van appellant leidde omdat hij later alsnog is gehoord. De rechtbank stelde vast dat de dienst zich aan de wettelijke bepalingen hield bij het bepalen van de betalingscapaciteit en dat een belangenafweging had plaatsgevonden, ook al was deze niet expliciet in het besluit van 28 juni 2022 opgenomen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn schrijnende financiële situatie onvoldoende was meegewogen en dat de dienst en rechtbank vooringenomen waren. De Raad van State verwierp deze gronden, bevestigde de juiste berekening van de betalingscapaciteit en het ontbreken van aanleiding tot kwijtschelding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de betalingsregeling van de Belastingdienst blijft van kracht.