AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking kennisneming vertrouwelijke stukken in hoger beroep asielzaak
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een asielzaak. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak vertrouwelijke stukken overgelegd die betrekking hebben op een individueel ambtsbericht over de vreemdeling.
De minister heeft verzocht om beperking van de kennisneming van deze stukken tot uitsluitend de Afdeling, met het oog op de bescherming van vertrouwenspersonen, informanten en gebruikte onderzoeksmethoden. De Afdeling heeft de stukken vertrouwelijk ingezien en heeft een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de vreemdeling om de stukken te kunnen inzien en het algemeen belang bij bescherming van de bronnen en methoden.
De Afdeling concludeert dat de bescherming van de geraadpleegde bronnen en onderzoeksmethoden zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling bij kennisneming van de stukken. Daarom wijst de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming toe en bepaalt dat alleen zij kennis mag nemen van de vertrouwelijke stukken.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 april 2024.
Uitkomst: Verzoek tot beperkte kennisneming van vertrouwelijke stukken wordt toegewezen; alleen de Afdeling mag deze stukken inzien.
Uitspraak
202206583/4/V2.
Datum beslissing: 25 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 november 2022 in zaak nr. NL21.13516 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 november 2022 in zaak nr. NL21.13516.
De minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) heeft, op verzoek van de Afdeling krachtens artikel 8:45 vanPro de Awb, de vertrouwelijke versie van gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht van de vreemdeling, namelijk:
- een memorandum van 16 oktober 2018 van het Cluster Ambtsberichten aan Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Tbilisi;
- een ongedateerd onderzoeksverslag van de ambassade te Tbilisi, met kenmerk TBI181008.0063, en met twee bijlagen;
- een aanvulling op het hiervoor genoemde onderzoeksverslag, met kenmerk TBI181008.0063 en TBI181008.0063-2.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. De minister heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij een beperkte kennisneming in dit geval noodzakelijk acht om de bij de bij het onderzoek geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken te beschermen. De minister heeft toegelicht dat voor een onderzoek naar aanleiding van een asielverzoek vaak vertrouwenspersonen en informanten worden ingeschakeld en dat hij verantwoordelijk is voor het handhaven van een vertrouwelijke omgang met hun identiteit, functies en door hen verstrekte informatie. Doet hij dat niet, dan kan bekend raken dat zij aan een asielonderzoek hebben meegewerkt en kunnen zij ernstig gevaar lopen. Verder heeft de minister uitgelegd dat het nodig kan zijn om een beroep te doen op de bescherming van een gebruikte onderzoeksmethode of -techniek. Dat heeft volgens hem verschillende redenen. Soms is het nodig, omdat de identiteit van een vertrouwenspersoon of informant kan worden afgeleid uit een gebruikte onderzoeksmethode of -techniek. Daarnaast kan het nodig zijn omdat als methoden en technieken bekend zouden worden, de gegevens misbruikt zouden kunnen worden waardoor toekomstig onderzoek niet meer mogelijk is of zelfs geen zin meer heeft.
4. De Afdeling heeft kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken. Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken in dit geval zwaarder dan het belang van de vreemdeling bij kennisneming van de stukken.
5. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.