ECLI:NL:RVS:2024:1867

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
BRS.24.000008
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 13 mei 2023 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde op 11 januari 2024 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van deze maatregel gegrond, beval de opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet is toegestaan, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces.

De Afdeling oordeelde dat geen sprake was van schending van hoor en wederhoor of een ander procesrechtelijk gebrek. De inhoudelijke bezwaren van de staatssecretaris betroffen het oordeel van de rechtbank en konden het appelverbod niet doorbreken. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van € 875,00.

Uitkomst: De Afdeling verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.24.000008
Datum uitspraak: 6 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 januari 2024 in zaak nr. NL23.40530 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris
Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 11 januari 2024 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de maatregel van bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.       Wat de staatssecretaris in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep (appelverbod) kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden, omdat de staatssecretaris de gelegenheid heeft gehad om schriftelijk te reageren op het beroep. Het betoog van de staatssecretaris in zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank het door hem in beroep overgelegde voortgangsrapport verkeerd heeft gelezen en ten onrechte voorbij is gegaan aan haar eerdere uitspraak van 6 december 2023 over een besluit tot verlenging van de maatregel, gaat over het inhoudelijke oordeel van de rechtbank en niet over de vraag of er een eerlijk proces is geweest. De grief kan dan ook niet leiden tot het doorbreken van het appelverbod.
3.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
18-1073