ECLI:NL:RVS:2024:1918
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak en niet-ontvankelijkheid hoger beroep in verblijfsvergunningzaak zelfstandige
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan met de beperking arbeid als zelfstandige voor stukadoorwerkzaamheden. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende onderbouwing en documentatie, waaronder een ondernemingsplan en concrete bewijsstukken over de aard en omvang van de werkzaamheden.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de stukken onvoldoende waren en dat de hoorplicht was geschonden. De staatssecretaris stelde echter in hoger beroep dat hij wel degelijk deugdelijk had gemotiveerd en dat de vreemdeling niet voldeed aan de documentatievereisten. Ook was volgens hem de hoorplicht niet geschonden omdat de vreemdeling geen essentiële informatie had aangeleverd of toegelicht.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld en vernietigde de uitspraak. Vervolgens verklaarde de Afdeling het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat deze zich had neergelegd bij het besluit van de staatssecretaris van januari 2024, waarin het driejarenbeleid werd toegepast en een verblijfsvergunning werd verleend met ingang van juni 2023.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard.