ECLI:NL:RVS:2024:219
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit omgevingsvergunning dakterras wegens onvoldoende belangenafweging
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 21 juni 2019 een omgevingsvergunning voor de realisatie van een dakterras van circa 13 m² aan een woning in Rotterdam. Na bezwaar en een gewijzigde aanvraag werd op 11 juni 2021 een vergunning verleend voor een verkleind terras van ongeveer 10 m². Buurtbewoners, appellant A en appellant B, die zicht hebben op het dakterras, maakten bezwaar vanwege mogelijke geluidsoverlast en aantasting van privacy.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. In hoger beroep betoogden de appellanten dat het college ten onrechte het belang van de vergunninghouder boven hun belangen heeft gesteld zonder een deugdelijke belangenafweging. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college in het besluit van 11 juni 2021 onvoldoende is ingegaan op de bezwaren omtrent geluidsoverlast en privacy, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd is.
Desondanks liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college in het hoger beroep alsnog een belangenafweging heeft gemaakt en heeft gesteld dat het belang van de vergunninghouder zwaarder weegt gezien de beperkte omvang van het terras en de stedelijke omgeving. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 11 juni 2021, maar bepaalde dat het dakterras mag worden gerealiseerd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 11 juni 2021 tot verlening van de omgevingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het dakterras mag worden gerealiseerd.