ECLI:NL:RVS:2024:2197

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
29 mei 2024
Zaaknummer
202402660/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000Art. 3 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 maart 2024 de asielaanvraag van de vreemdeling af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de afwijzing als kennelijk ongegrond mogelijk was, ondanks dat de motivering voor het oordeel over de politieke overtuiging van de vreemdeling ondeugdelijk was. De rechtbank had het besluit vernietigd vanwege een ondeugdelijke motivering omtrent de vrees voor terugkeer naar Egypte.

De Raad van State bevestigde dat de staatssecretaris in een nieuw besluit opnieuw tot afwijzing kan komen indien de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade heeft. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202402660/1/V2.
Datum uitspraak: 29 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2024 in zaak nr. NL24.13204 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. van Werven, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de asielaanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft het beroep namelijk gegrond verklaard, omdat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar Egypte niet hoeft te vrezen wegens een toegedichte politieke overtuiging. De reden dat de staatssecretaris de  asielaanvraag kennelijk ongegrond heeft verklaard, staat hier echter geheel los van. Bovendien kan een oordeel van de rechtbank hierover van belang zijn in het geval de staatssecretaris opnieuw tot een afwijzing van de asielaanvraag komt. In het licht daarvan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag heeft kunnen leggen dat de vreemdeling niet direct om internationale bescherming heeft verzocht en daarvoor geen gegronde reden heeft gegeven (zie artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000). Ondanks dat de rechtbank het besluit van 20 maart 2024 heeft vernietigd, betekent dit dat de staatssecretaris in een opnieuw te nemen besluit weer tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, mits de vreemdeling ook dan niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024
986