ECLI:NL:RVS:2024:2207

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
29 mei 2024
Zaaknummer
202302275/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen verblijfsvergunning asiel en ongegrondverklaring hoger beroep

De Stichting Uitbanning Genocide (SUG) verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om twee vreemdelingen ongewenst te verklaren en uit te zetten wegens illegaal verblijf. De staatssecretaris kwalificeerde dit verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verleende de vreemdelingen verblijfsvergunningen asiel.

De SUG maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de staatssecretaris verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep van de SUG tegen deze besluiten eveneens niet-ontvankelijk voor zover het rechtstreeks beroep betrof en ongegrond voor het overige.

De SUG stelde hoger beroep in bij de Raad van State, maar dit werd ongegrond verklaard. De Raad van State bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder verdere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen relevante rechtsvragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.

De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep van de SUG wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202302275/1/V1.
Datum uitspraak: 29 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de Stichting Uitbanning Genocide (hierna: de SUG),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2023 in zaak nr. 21/3611 in het geding tussen:
de [de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij brief van 11 april 2021 heeft de SUG de staatssecretaris verzocht om twee volgens de SUG illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen ongewenst te verklaren, te bepalen dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten en hen uit te zetten.
Bij brief van 30 april 2021 heeft de staatssecretaris aan de SUG meegedeeld dat de brief van 11 april 2021 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is.
Bij brief van 1 mei 2021 heeft de SUG bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de staatssecretaris tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan de vreemdelingen.
Bij besluit van 20 mei 2021 heeft de staatssecretaris dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 18 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het door de SUG tegen de brief van 30 april 2021 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 maart 2023 heeft de rechtbank het tegen deze besluiten door de SUG ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover rechtstreeks beroep openstond en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de SUG hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024
598