ECLI:NL:RVS:2024:2518
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J. Schipper-Spanninga
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf onterecht bij mogelijke staatloosheid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok het Nederlanderschap van appellant in op grond van een onherroepelijke veroordeling voor het voorbereiden van een terroristisch misdrijf. Appellant, geboren in 1996 met dubbele Nederlandse en Turkse nationaliteit, betwistte de intrekking en stelde dat hij de Turkse nationaliteit had verloren en daardoor staatloos zou worden door intrekking van het Nederlanderschap.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht de Turkse nationaliteitswetgeving en de door appellant overgelegde stukken, waaronder een verklaring van het Turkse consulaat dat appellant niet als Turks onderdaan wordt beschouwd. De staatssecretaris voerde aan dat appellant van rechtswege Turkse nationaliteit heeft en dat het consulaat niet de bevoegde instantie is.
De Afdeling oordeelde dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de Turkse nationaliteit bezit en dat de intrekking van het Nederlanderschap tot staatloosheid leidt. De staatssecretaris had zich eerst moeten vergewissen van het standpunt van de bevoegde Turkse autoriteiten. Daarom zijn de besluiten tot intrekking en afwijzing van bezwaar in strijd met artikel 14, achtste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud).
Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de besluiten van 2019 en 2022 herroepen. De intrekking van het Nederlanderschap wordt ongedaan gemaakt en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap wordt vernietigd omdat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij staatloos wordt.