AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 maart 2022 het verzoek van de vreemdeling om een document te verkrijgen dat zijn duurzaam verblijfsrecht bevestigt af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 10 mei 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 18 maart 2024. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling stelde dat de advocaat onjuist had gehandeld en dat essentiële informatie was vervalst, maar betaalde het griffierecht voor zowel het hoger beroep als het verzoek om voorlopige voorziening niet. De griffier herinnerde de vreemdeling meerdere malen schriftelijk aan de betaling en stelde hem in de gelegenheid om redenen aan te voeren voor het niet betalen, maar zonder resultaat.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 20 juni 2024 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster in aanwezigheid van griffier D.I. Schipper.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
Uitspraak
202402316/1/V3 en 202402316/2/V3.
Datum uitspraak: 20 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2024 in zaak nr. 22/3539 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, waaruit zijn duurzaam verblijfsrecht blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 10 mei 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. U hebt hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat u het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris uw aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat u geen duurzaam verblijfsrecht had. U voert daarbij aan dat de advocaat vreemd gedrag vertoonde en dat de meeste essentiële informatie onjuist is en vervalst is door uw advocaat, de rechter of de IND. Uw hoger beroep kan niet in behandeling worden genomen, omdat u het griffierecht niet hebt betaald. Hetzelfde geldt voor uw verzoek om voorlopige voorziening. Hieronder wordt dit verder uitgelegd.
2. De griffier heeft u er bij aangetekende brief van 16 april 2024 op gewezen dat u voor het verzoek om voorlopige voorziening griffierecht moet betalen. U bent daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 23 april 2024 te voldoen. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze brief is door het postbedrijf aan de griffier teruggestuurd. De stukken zijn daarom nogmaals aan u toegestuurd op 8 mei 2023, maar nu per gewone post. Het griffierecht voor de voorlopige voorziening is niet betaald. U heeft geen redenen aangevoerd waarom het verzoek toch in behandeling moet worden genomen.
3. De griffier heeft u er bij brief van 16 april 2024 ook op gewezen dat u voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. U bent daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 30 april 2024 te voldoen. Omdat u dit niet heeft gedaan, heeft de griffier u bij aangetekende brief van 2 mei 2024 laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 16 mei 2024 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze brief is door het postbedrijf aan de griffier teruggestuurd. De stukken zijn daarom nogmaals aan u toegestuurd, maar nu per gewone post. Het griffierecht is niet betaald. U heeft, nadat de griffier u bij brief van 23 mei 2024 in de gelegenheid heeft gesteld om uiterlijk op 30 mei 2024 schriftelijk te laten weten waarom het griffierecht niet is betaald, geen redenen aangevoerd waarom uw zaak toch in behandeling moet worden genomen.
4. Het verzoek en hoger beroep zijn niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek en hoger beroep niet-ontvankelijk;
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.